Informatie

student.uva.nl is vernieuwd. Lees meer...

Welke opleiding volg je?
Lezing

Presentatie Masterthese - Cathy van Harten - Klinische Psychologie

Laatst gewijzigd op 16-08-2022
Het effect van de mate van zelfbeelddiscrepantie op de relatie tussen geslacht en de behandeleffectiviteit van groepsschematherapie bij cluster-C persoonlijkheidsstoornissen
Toon informatie voor jouw opleiding
Nu zie je algemene informatie op deze site. Kies je opleiding om ook informatie te zien die specifiek voor jouw opleiding geldt, zoals deadlines, regelingen en contactgegevens.
Welke opleiding volg je?
Startdatum
22-08-2022 08:00
Einddatum
22-08-2022 09:00
Locatie

Roeterseilandcampus - Gebouw G

Straat

Nieuwe Achtergracht 129-B

Ruimte: 

S.09

Het is lastig mensen met een cluster-C persoonlijkheidsstoornis te behandelen aangezien er sprake is van hardnekkige patronen. Het optimaliseren van de behandelmethodes is belangrijk omdat een cluster-C persoonlijkheidsstoornis geassocieerd is met een verhoogde kans op automutilatie, suïcide, alcohol, drugs, en behandeling drop-out. Factoren die mogelijk invloed hebben op de behandeling zijn geslacht en de mate van zelfbeelddiscrepantie. Het doel van dit onderzoek is de relatie tussen geslacht, de mate van zelfbeelddiscrepantie en behandeleffectiviteit van groepsschematherapie (volgens het Farrell & Shaw model) te onderzoeken door middel van een mediatie analyse met als verwachting dat de mate van zelfbeelddiscrepantie medieert in de relatie tussen geslacht en behandeleffectiviteit. 

Hiertoe zijn meerdere analyses uitgevoerd om te onderzoeken of er een relatie is tussen 1) geslacht en behandeleffectiviteit (onafhankelijke t-test), 2) de mate van zelfbeelddiscrepantie en behandeleffectiviteit (meervoudige regressieanalyse), 3) geslacht en de mate van zelfbeelddiscrepantie (onafhankelijke t-test) en 4) of de mate van zelfbeelddiscrepantie een mediator is in de relatie tussen geslacht en behandeleffectiviteit (mediatieanalyse). Voor dit onderzoek zijn 103 participanten geïncludeerd, waarbij de meetmomenten van voor en na de behandeling zijn gebruikt. Op geen van de onderzochte relaties zijn significante resultaten gevonden waardoor de conclusie is dat de mate van zelfbeelddiscrepantie geen mediator is in de onderzochte relatie. Wel laten exploratieve analyses zien dat de behandeling effectief is, en de mate van zelfbeelddiscrepantie verlaagd. Nader onderzoek kan de verschillen per cluster-C diagnose in mate van zelfbeelddiscrepantie onderzoeken aangezien dit invloed kan hebben gehad op het uitblijven van een significant resultaat.